|
| | Tekst | |  | I | ? |
|
Jia en de Kattenrijders - Hoofdstuk 1 (Deel I, II en III) |
|
In categorie Avontuur (Vervolgverhaal).
Geschreven door DawRei
op 13-06-2006 om 17:46.
Dit werk werd reeds 1577 maal bekeken,
en heeft 26 reactie(s).
Alle delen: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12
|
|
Hoofdstuk 1
- De andere toren -
Er was eens een meisje met haren zo zwart als de veren van een raaf en een huid die gekleurd was door de zon.
Er was eens een meisje dat, ontevreden over haar leven, door de straten van de stad zwierf, zonder dat aan haar vader en moeder te vertellen.
Er was eens een meisje dat, op een warme zomermiddag, de derde dag van de week, bij de rozenstruiken op een kerkhof stond.
Haar naam was Jia, en ze was alleen.
Het was zeker niet de eerste keer dat ze uit het schoolgebouw was weggeglipt. In de loop der jaren was de noodzaak daarvoor meer en meer toegenomen – hoe ouder ze werd, hoe erger haar klasgenoten haar treiterden.
Terwijl ze daar overna stond te denken, hoorde ze stemmen naderen. Vlug deed ze een stap naar links, zodat ze verscholen stond achter een van de rozenstruiken en niet zichtbaar zou zijn vanaf het grindpad dat langs de graven liep.
Turend langs de takken zag ze een man en een vrouw. Ze liepen vlak langs haar heen. Jia ving een vlaag van het gesprek op. Een zoete parfumlucht bleef in de trillende lucht hangen en drong haar neus binnen. De mensen verwijderden zich en verdwenen toen helemaal uit het zicht. Zacht blies Jia haar adem uit. Wees niet zo’n angsthaas, dacht ze. Het is niet verboden om hier te zijn! Bovendien; hoe zouden twee vreemden kunnen weten dat zij aan het spijbelen was?
Zelf kwam ze hier alleen maar voor de rust – ze kende niemand die hier begraven lag. Volgens haar horloge was het twee uur ’s middags. Dat betekende dat ze nu al drie uur lang rondhing tussen de grafstenen. Het lezen van onbekende namen en sterfdata begon haar te vervelen.
Met haar handen in de zakken van haar vale spijkerbroek verliet ze het kerkhof en slofte naar de binnenstad.
Het was druk op de Grote Markt. De zon scheen genadeloos op de vele marktkraampjes.
Op de hoek van de straat stond een ijskraam met een lange rij mensen erachter. De verkoper was waarschijnlijk een van de weinigen die hoopte dat de temperatuur de komende dagen niet zou dalen. Jia was hier nog net geen vaste klant, maar het scheelde weinig. Want wat was er fijner dan een grote hoorn ijs als je de zomerdag toch al vrij nam van school?
Tussen de kraampjes hing een zware, weeïge lucht van wierook. Ze bleef altijd extra lang staan om te kijken naar de uitgestalde Boeddhabeelden, de kralenkettingen van hout, de met de hand geverfde doeken die op de een of andere manier zoet geurden, en de exotische kettingen, armbanden en ringen.
‘Kan ik u iets aanraden, juffrouw?’
Jia keek op, recht in het gezicht van een gerimpelde vrouw. Die glimlachte naar haar vanachter het marktkraampje. Er ontbraken twee tanden in haar mond.
‘Nee.’ Ze schudde ze haar hoofd. ‘ Sorry. Ik kijk alleen maar.’
De vrouw liet zich niet ontmoedigen door haar woorden. Ze bleef onverstoord glimlachen en gebaarde met een van haar handen. ‘Kijk even rond. Ik heb veel jonge bezoekers zoals jij. Ze vinden mijn spullen heel mooi.’
Jia gluurde om zich heen, maar zag alleen maar de ruggen van de mensen die bij het kraampje achter haar stonden. Maar ze wilde niet onbeleefd zijn. Vluchtig liet ze haar ogen langs de koopwaren gaan. Er lag niets wat ze niet in elk ander kraampje ook zou kunnen kopen – boeddhabeelden, sieraden, wierookbranders.
‘Ach,’ zei ze afwerend, ‘ik weet ’t niet. Ik geef niet zoveel om dit soort dingen.’
‘O. Zit het zo.’ De verkoopster keek een tikkeltje teleurgesteld.
Jia haalde haar schouders op. ‘Neem me niet kwalijk.’
‘Wacht! En dit dan?’ De vrouw graaide naar achteren en duwde een bungelend gouden armbandje over de toonbank naar voren. ‘Eigenlijk houd ik deze achter, maar…’ ze maakte haar zin niet af.
Het was een gouden schakelarmbandje, heel eenvoudig eigenlijk. Er hingen drie bedeltjes aan, in de vorm van een kleine munt. Op alledrie was de vorm van een dier ingegraveerd: een liggende leeuw, een rennende panter en een gewone huiskat met een hoge, krullende staart.
Bevreemd door de wilde actie van de vrouw keek Jia ernaar. Daarna keek ze op naar de verkoopster. Er was een gepijnigde uitdrukking op haar gezicht te zien – of was dat maar haar verbeelding? Nee, nu glimlachte de vrouw gewoon.
‘Echt goud. En met de hand gegraveerd…Uniek. Enige in zijn soort, hoor.’
Jia maakte een onbestemd geluid dat alles had kunnen betekenen.
‘Aha. Ja. Het is mooi.’ Ongemakkelijk keek ze naar links, waar een paadje langs de kraampjes liep, naar de bushalte. Toen de verkoopster niets terugzei, draaide ze ongedurig met haar voeten. ‘Ik eh – zou het zo kopen. Maar ik heb geen geld meer. Dat wil zeggen, niet voor zoiets, begrijpt u?’ Haar ogen zochten naar een prijskaartje om haar standpunt kracht bij te zetten. Tot haar verwarring vond ze dat niet. De verkoopster grinnikte.
‘Brengt geluk, die bedeltjes… Wist je dat, meisje?
‘O, vast,’ glimlachte Jia wanhopig. Waarom liep ze niet gewoon weg? Kon het haar wat schelen als de verkoopster haar onbeleefd vond?
‘Geluk is niet te koop in geld, dat weet je toch?’
Jia merkte dat de ogen van de vrouw haar nog steeds intens aanstaarden. Het ergerde haar. Maar ze kon zich met geen mogelijkheid ertoe bewegen om weg te lopen.
‘Nee,’ mompelde ze, ‘dat zal wel niet.’
‘Katten zijn van oudsher de bewakers van geluk,’ ging de oude dame onvermoeibaar verder, maar nu met een stem alsof ze een sprookje vertelde.
Hemel, wat is er mis met haar, dacht Jia. ‘Mevrouw, ik ben niet echt -’
‘Jij ziet eruit alsof je wel wat geluk kunt gebruiken!’
Jia slikte de woorden die ze wilde gaan zeggen in. ‘Wat bedoelt u?’
De verkoopster liet haar ogen nu voor het eerst weer naar haar koopwaar glijden. ‘Ik ken je wel. Ik zie je vaker ronddwalen. Hoor je niet op school te zijn, hè? Onderwijs, op jouw leeftijd…’
‘Dat gaat u niks aan.’ Ze draaide zich verontwaardigd om, van plan om weg te lopen. Trouwens, haar maag rommelde al een tijdje, zeurend om aandacht. Op het moment dat ze met haar hand zoekend in haar schoudertas rondtastte, besefte ze dat ze vergeten was om eten mee te nemen. Het waren weer boze stemmen geweest die haar die ochtend hadden gewekt. De keuken was in een vijandig oord veranderd. Daarom was ze zonder op of om kijken, halsoverkop gevlucht via de achterdeur van hun witte huis.
Ze slaakte een zucht. In plaats van eten vond ze in haar broekzak haar portemonnee. Nou, dacht ze, verhongeren zal ik in ieder geval niet.
Ze was al een paar stappen verwijderd van de kraam, maar op dat moment hield de stem van de vrouw haar plotseling tegen: ‘Ik gééf het je. Wat denk je daarvan, juffrouwtje? Ik gééf je het armbandje in ruil voor een belofte.’
Verbijsterd draaide Jia zich om. Op het moment dat ze haar gezicht zag, besefte ze dat de vrouw het meende. Ze lachte nu niet, maar keek haar heel serieus van onder haar hoofddoekje aan.
‘Wat voor belofte?’ mompelde ze, nadat er een paar doodstille seconden voorbij waren gegaan.
‘De belofte, dat je je uiterste best zal doen.’
Weer die stilte. Ze keken elkaar aan, beiden onbeweeglijk. Jia was zich een moment lang niet bewust van de stadsgeluiden om zich heen.
‘Ik – mijn best waarvoor?’
‘Ik wil,’ zei de vrouw, ‘dat jij je uiterste best gaan doen in het leven.’
Jia deed haar mond open om wat te zeggen, maar een handgebaar van de vrouw legde haar het zwijgen op.
‘In het leven, meisje, ja. Nu, omdat je niet naar school gaat, zal ik je een paar lessen leren. Je best doen in het leven betekent dat je je best zult doen om anderen te helpen leven. Alleen goedheid verdient geluk.’ Ze keek Jia weer recht aan en hield het armbandje omhoog. ‘Beloof je dat?’
Jia aarzelde. Haar ogen volgden de lichte heen-en-weer beweging van de bedeltjes. Een leeuw, een panter, een kat. Liggend, rennend, staart omhoog. Ze haalde haar schouders op. Op dat moment kon ze niet zeggen wat haar bewoog om instemmend te knikken. ‘Oké…’
‘Oké?’
‘Ik beloof het.’
De vrouw stak haar hand naar voren en liet het armbandje in Jia’s handpalm vallen. Ze voelde hoe zwaar het was, hoe glad en koel.
‘Nu nog een laatste raad…die krijg je ook gratis.’ De vrouw grinnikte. ‘Als je je eens wilt verstoppen, kind…Die mooie grijze toren daar geeft een prachtig uitzicht over de stad. Hoe hoger, hoe mooier.’ Ze boog zich wat voorover en voegde er mysterieus aan toe: ‘Een vluchteling zoals jij zal hij niet weigeren…O, nee.’
Jia keek achterom. De Martinitoren stond statig te baden in het zonlicht. Het was een oude toren, opgetrokken uit grijze brokken steen. Al eeuwen stond hij daar, terwijl de wereld om hem heen veranderde. Het zag er niet naar uit dat hij haast had om te verdwijnen.
Ze is gek, dacht Jia. Vrijgevig maar gek. Snel groette ze en haastte zich weg. Toch bleef ze even later stilstaan om het sierand om haar pols vast te maken. Bij elke beweging die ze maakte, tikten de bedeltjes tegen elkaar aan en veroorzaakten ze een tinkelend geluid. Als ze niet beter wist, zou ze denken dat ze met een kattenbelletje rondliep.
Plotseling hoorde ze het geluid van piepende fietsremmen vlak achter haar. Prompt daarop klonken een paar jouwende kreten. Gelijk toen ze zich geschrokken had omgedraaid, wist ze dat ze in de puree zat. Tine en Rebecca, de plaaggeesten van school. Wat deden zij nou hier?
‘Dag Jia,’ zei Tine vrolijk. ‘Weer niet op school vandaag? Jammer. We hadden eerder vrij, weet je. Geschiedenis viel uit.’
‘Loop naar de maan,’ mompelde ze als antwoord. Ze wilde zich omdraaien.
‘Weet je,’ zei Rebecca, ‘als je blijft spijbelen, word je vroeg of laat van school getrapt. En dan blijf je een domme koe.’ Het meisje glimlachte erbij.
‘Er zijn mensen waar het niet bij helpt dat ze naar school gaan,’ antwoordde Jia, terwijl ze hoopte dat haar stem kalm en waardig klonk. ‘Die blijven stomme koeien.’ Ze wist dat Rebecca twee keer was blijven zitten.
Natuurlijk had ze dat niet moeten zeggen. Tine sprong naar voren, maar Jia was haar voor. Vlug rende ze bij de twee vandaan. Ze kwamen haar achterna, maar Jia was sneller. Ze was altijd sneller.
Slechts één keer had ze de fout gemaakt om te denken dat het geweld van de twee enkel bluf was. Toen was ze dapper blijven staan, waarop ze de klappen, krabben en het trekken aan haar haren over zich heen had gekregen. Sindsdien rende ze liever weg.
Haar voetstappen dreunden in haar oren. Ze voelde de ronde keien onder haar schoenzolen elke keer pijnlijk tegen haar voeten bonken. Nee hè, dacht ze, ze hebben fietsen! Zij had alleen haar benen. Gelukkig waren er veel mensen op straat, zodat ze zich gemakkelijk kon verschuilen. Ze stak de Grote Markt over, rende zonder op gevaar te letten over de weg waar veel fietsers, taxi’s en bussen reden. Achter haar toeterde een auto. Snel draaide ze haar hoofd om, maar zag dat het niet voor haar bestemd was: de meisjes zaten haar nog op de hielen en Tine was vlak langs een taxi gescheurd. Verdorie: ze had gehoopt hen af te kunnen schudden in het drukke verkeer! Snel keek ze om zich heen. Rechts was de bushalte, maar haar bus reed net weg. Links was de Martinitoren.
Nou, gekke vrouw, dacht ze, je hebt in mijn toekomst gekeken. Ze haastte zich over het drukbevolkte terras en onder de hoge koepel door die de ingang vormde van de toren. Binnen was het koel. Ondanks de grote open poort was het er bijna schemerig. Vooraan stond er een balie waar een meisje zat, daarachter een kleinere poort. Daar begon de eerste wenteltrap naar boven. Jia aarzelde. Tine en Rebecca zouden haar toch zeker niet achterna komen binnen in een gebouw?
Toch hoorde ze hun gekwetter nog voordat hun schaduwen naar binnen vielen. Jee, die twee waren wel volhardend dit keer. Vandaag was zeker de wij-gaan-Jia-pesten-dag. ‘Ze is naar binnen gegaan,’ hoorde ze Rebecca’s stem. Het was een schel, hoog geluid.
Voor ze goed en wel wist wat ze deed, dook Jia langs het meisje bij de balie de hoek om. Zo werd ze aan het oog onttrokken door de eerste muur.
De trap ging bijna steil omhoog. Jia hoorde de boze roep van de baliejuffrouw: ‘Je moet een kaartje kopen!’ en de stemmen van de twee meisjes die haar op de hielen zaten.
Vervolgens was het een moment stil. In die tijd lukte het haar om tot halverwege de trap te klimmen. Nu kwam ze bij de eerste bocht. Iemand van het personeel zou haar vast achterna komen. In het ergste geval zou ze eruit gegooid worden, als aas voor Rebecca en Tine, en bovendien een boete krijgen. In het meest gunstige geval zou ze er alleen uitgegooid worden. Het kwam er dus op neer, bedacht ze terwijl ze nog een hoek omsloeg, dat als ze zou worden ingehaald, ze als een prooi voor de klauwen van een hongerig wild beest werd gegooid. ‘Niet leuk,’ hijgde ze tegen de muren. ‘Helemaal niet leuk.’
Net toen haar beenspieren vermoeid begonnen te raken, hoorde ze haastige voetstappen ergens achter zich. Het geluid echode langs de stenen muren. Nu moest ze wel doorgaan, haar pas versnellen tot ze rennend, twee treden tegelijk, de trap opstoof en ineens links van haar het eerste balkon zag. Ze racete eroverheen, ving slechts een glimp op van de lucht en de balustrade met de gotische waterspuwers. De voetstappen kwamen dichterbij. Verstopplaatsen zouden hier niet te vinden zijn. Terug kon ze ook niet – de oude trap was zo smal dat twee personen elkaar maar met moeite zouden kunnen passeren. De enige mogelijkheid was verder naar boven.
Jia holde weer verder, tree na tree, bocht na bocht, hopend dat ze niemand tegenkwam die haar weg zou versperren. Ze moest ondertussen haar best doen om haar evenwicht te bewaren. Ineens bleef de neus van haar schoen in een flinke barst in de stenen trede haken. Hard stootte ze met haar knie tegen de rand en het kostte haar moeite om geen kreet van pijn te slaken. Net toen ze weer overeind krabbelde, hoorde ze duidelijk stemmen achter zich. Het klonk alsof het twee mannen waren. Dat zouden vast bewakers zijn. De baliejuffrouw had hen vast snel gewaarschuwd.
Haastig probeerde ze verder te gaan, maar werd gehinderd door haar pijnlijke knie. Op het moment dat ze een bocht omsloeg, versperde een groep van vier personen haar de weg. De man die voorop liep zag er buitenlands uit, met hoge jukbeenderen en smalle ogen. Hij had een fotocamera in zijn hand.
’Neem me niet kwalijk,’ hijgde ze buiten adem. ‘Mag ik er langs? Ik heb haast!’
Maar er was geen mogelijkheid voor hen om opzij te gaan en haar er fatsoenlijk langs te laten. De voorste man keek haar bovendien verward aan. Natuurlijk een toerist die geen woord Nederlands sprak! Radeloos wierp ze een blik over haar schouder; haar hart sloeg bijna een slag over van schrik. Daar verschenen de schaduwen van haar achtervolgers al.
‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze weer, ditmaal vrij kortaf. Ruw perste ze zich tussen de muur en de toeristen. In elk geval zouden die de vervolgers even op afstand houden. Ze keek niet meer om. Kijk, daar was het tweede balkon - een panorama van de stad in miniatuur schoot aan haar gezichtsveld voorbij en in een flits besefte ze hoe hoog ze zat. Hoe hoger hoe beter, had de vrouw gezegd. Of was het hoe hoger, hoe mooier?
Geen harde geluiden meer achter haar nu. Ze hoopte dat de groep toeristen haar achtervolgers in elk geval voor een paar dierbare seconden had opgehouden.
Bij het derde balkon hield ze zwaar hijgend stil. Haar voeten deden pijn van het traplopen, haar knie bloedde en haar zij stak. Ze keek om zich heen. Bij de balustrade stond een stelletje te zoenen; beiden zagen haar niet. Wat doe ik nu? dacht ze. Ze kon hier blijven staan en hopen dat ze het hadden opgegeven. Hoger mocht je niet komen, dat was gevaarlijk. Maar als ze niet verder achter haar aankwamen, betekende dat dus dat zij op een gegeven moment weer naar beneden moest…Dan zouden ze haar wél te pakken krijgen. En als ze dat niet deed, als ze te lang bleef zitten, zouden ze haar alsnog komen halen.
Kortom: ze zat muurvast.
In stilte vervloekte ze zichzelf terwijl ze langs het verliefde tweetal sloop en bij een gesloten hekje aankwam. Erop hing een ijzeren bordje met in hoofdletters:
Ze rammelde eraan met haar vrije hand.. Het gouden bedelarmbandje rammelde mee. Natuurlijk zat het op slot. Als ze over het hekje kon klimmen, zich kon verstoppen, dan zouden de bewakers misschien niet weten waar ze was. Met een beslist gebaar greep ze de de ijzeren spijlen van het hek met twee handen beet, zette haar voeten op een horizontale balk en hees zichzelf zo hoog mogelijk op.
Ze was pezig en dun gebouwd, maar toch kostte het haar aanzienlijk wat moeite en kracht. Jia hees zichzelf steeds een stukje hoger, terwijl ze haar vingers wit klemde om de tralies en ze haar kaken strak op elkaar hield door de krachtsinspanning. Het bloed steeg naar haar hoofd, haar spieren klaagden onder haar klimpartij, maar de nieuwe geluiden op de achtergrond dwongen haar tot betere prestaties en ze zette door. Toch onverwachts bereikte ze de top en sloeg haar benen naar de andere kant van het hek. Ze verspilde geen tijd aan het naar beneden laten zakken, maar liet gewoon in één keer los. De klap waarmee ze op de stenen vloer terechtkwam was harder dan ze had ingeschat. Haar enkel klapte dubbel en de snee in haar knie werd groter en bloederiger. Nu kon ze zich echt niet inhouden. ‘Au!’ riep ze.
De bruggetjes waren hier onbeschermd. Als je niet oppaste, kon je zo naar beneden vallen. Er ging een koude rilling langs haar rug. Ze kreeg het een beetje benauwd terwijl haar hart als een razende in haar keel klopte. Waar was ze vandaag toch in ’s hemelsnaam mee bezig? Ze keek naar buiten – dat kon nu gewoon, want er waren smalle, koepelvormige open ramen aan alle kanten. Ze was nog nooit in haar leven zo hoog geweest en ze moest er niet aan denken om uit te glijden en te vallen. Ze vroeg zich af of iemand haar vanaf beneden kon zien staan: een eenzaam figuurtje in een rood T-shirt en een vale spijkerbroek. Zouden Tine en Rebecca haar zien? Ze hoopte van niet. Het was al erg genoeg dat zichzelf zo in de nesten had gewerkt.
De wind was toegenomen. Beneden merkte je het niet, maar hierboven waaide een flinke bries. Plukken haar die tijdens haar vlucht uit haar paardenstaart waren ontsnapt wapperden in haar gezicht. Met haar hand tegen de muur als steun schuifelde ze verder, heel voorzichtig. Ze wist dat ze vlak onder de kerkklokken zat. Zou daar iemand zijn, een soort klokbewaker of zo? Ze dacht van niet.
‘Voorzichtig,’ mompelde ze tegen zichzelf, terwijl ze langs een open raam glipte. Hoorde ze nu toch weer stemmen? Voetstappen?
Ach, maar natúúrlijk kwam het personeel van de toren haar achterna – zeker nu ze het in haar hoofd had gehaald om zo belachelijk hoog te gaan. Nu zouden ze haar niet alleen willen arresteren; ze zouden haar ook nog willen redden.
Ze ging een bocht om. Tot haar verassing zag ze een deur. Misschien was er toch zoiets als een klokkenbewaker, en misschien zat hij daarbinnen.
‘…ze moet hier zijn,’ hoorde ze. De stem klonk ineens verschrikkelijk dichtbij! Geschrokken sprong ze naar voren, haar hand vond de knop van de deur en een kort moment lang bad ze dat hij niet op slot zou zijn. Ze draaide, duwde – de deur ging open.
Dankbaar glipte ze naar binnen en voordat ze ook maar keek waar ze terecht was gekomen, duwde ze de deur weer dicht en schoof er een roestige grendel voor.Terwijl ze dit deed, merkte ze dat het vreemd warm was in de ruimte achter de deur.
Ze draaide zich om. En schrok.
DEEL II
De kamer waarin ze terecht was gekomen, was geen klein kantoortje. Het was een ruime, ronde torenkamer, badend in zonlicht dat door een open raam naar binnen stroomde. Aan de muren hingen vier bordeauxrode wandtapijten. Aan een glanzende, houten plaque hingen twee gekruiste zwaarden met zware ingelegde handvaten. Ze rook een geur die ze niet helemaal kon thuisbrengen; iets exotisch. Rechts van haar stond een tafeltje met een porseleinen vaas. Voor de rest was de ruimte leeg.
De stilte overdonderde haar. Driemaal keek ze de kamer rond. Ze knipperde met haar ogen, maar het beeld bleef, de stilte bleef, de geur bleef…Ze dacht: ik ben hier echt!
Om erachter te komen of er mensen aan de andere kant van de deur waren, drukte ze haar oor er tegenaan. Er drong nog geen zuchtje wind door.
Een beetje gerustgesteld liep ze door de kamer. Haar voetstappen maakten een zacht geluid, alsof de wandkleden het geluid absorbeerden. Het raam had geen luiken, er was geen glas; het was gewoon een grote, ronde opening in de muur van massieve, zandkleurige brokken steen. Met haar ellebogen steunde ze op de vensterbank terwijl ze verbluft naar buiten keek.
In rijke goudtinten strekte zich onder haar een landschap uit. Dromerig blauw waar bergen aan de horizon oprezen. Overal waar ze keek, zinderde een grasvlakte in de zon. De lucht trilde, ze zag een vlinderachtig insect langs fladderen. Tussen de bergen en de vlakte in, meanderde een rivier naar de verte toe. Toen er een vederlicht briesje langs haar streek, dacht ze dat ze een vleugje zout op haar lippen proefde, alsof de zee dichtbij was.
‘Dit is ongelooflijk,’ zei ze hardop. Ze begon langs de ronde muren te lopen, haar hand tegen de wandtapijten. Die waren zacht en wollig. Er waren afbeeldingen op geborduurd met goud en geel. Het waren taferelen die ze niet helemaal thuis kon brengen. Zo was er een hert, prachtig gestikt in glimmend goud, dat met de kop gebogen en gewei dreigend naar voren tegenover een leeuw stond. Op de leeuw zat een man met een jachthoorn in zijn hand.
Er was ook een kleed dat een landschap uitbeeldde dat erg veel leek op het landschap ze net buiten had gezien. Er stonden mensen op de voorgrond; lange, slanke mensen die meer weg hadden van de grashalmen waar ze tussen stonden dan de mensen waar Jia dagelijks mee omging. In de verte was een stadje te zien met hoge poorten eromheen. Onderaan het kleed stond iets geschreven. Jia tuurde naar de vreemde tekens. Ze leken op de letters die zij kende, maar nét niet helemaal. Een minuut lang hield ze haar hoofd scheef naar beide kanten, bekeek het schrift van verschillende hoeken. Uiteindelijk dacht ze dat de eerste twee woorden gelezen konden woorden als: au (dat was het makkelijkste om te ontcijferen) gra8lanaerá.
Gra-acht-land-A-erá? Van zoiets raars had ze nog nooit gehoord. Maar misschien was het geen acht – het zou ook een grote S kunnen zijn. En die A was al zo vreemd en bol gevormd dat het bijna een D leek.
Du graslanderá. Dat klonk als een mysterie. Jia zei het een paar keer hardop…Het vreemde woord had de smaak van een mythe. Wat zou het betekenen? Was het een taal die op de hare leek, zoals de letters dat deden?
Ze kon er niet uitkomen en niets in de kamer gaf haar meer aanwijzingen. Uiteindelijk gaf ze het op. Ze had dorst en ook werd ze een beetje ongerust. Nu de eerste verbazing was afgenomen begon het tot haar door te dringen dat er iets heel vreemds aan de hand was. Hoe kon het dat ze hier zomaar terecht was gekomen - en waar was “hier” eigenlijk? O jee! Zou het mogelijk zijn dat ze hier vast zou zitten, dat niemand ooit zou weten waar ze was gebleven? In een vlaag van paniek rende ze naar de deur. Ze had haar handen al aan de klink; dat was een grote, ijzeren ring waaraan je moest trekken. Toch aarzelde ze toen. Wat als daar wel gewoon twee politieagenten staan, dacht ze, of wat als er iets heel engs is, daarachter? En wat - ze huiverde onwillekeurig - als de deur op slot is en ik hier echt niet meer uit kan?
Ze trok aan de ring. De deur bewoog geen centimeter.
Haar vingers gleden van de ijzeren ring, een weeïg gevoel verspreidde zich door haar buik. Daar had je het al! Ze zat opgesloten!
Het volgende moment sloeg ze zich hard met haar vlakke hand tegen haar voorhoofd. Bijna beschaamd, hoewel er niemand was om haar stommiteit gade te slaan, schoof ze de grendel voor de deur weg. Het maakte een schrapend, piepend geluid. Meteen hoorde ze het rammelen van de scharnieren en wist ze dat er verder geen slot omgedraaid was. Ze trok de deur open en keek naar beneden, naar de wenteltrap die in de diepte verdween. Er was niemand te zien, en het was overal nog steeds muis en muisstil.
Bang om die stilte opnieuw te verbreken, liet ze de torendeur op een kiertje staan. Hier in het trappenhuis waren geen ramen en op het kleine scheutje licht na, dat door de kier op de eerste paar treden viel, was het schemerdonker. Jia merkte gelijk dat dit niet de trap was in de toren waarin ze was gevlucht. Voetje voor voetje liep ze naar beneden terwijl ze hierover nadacht. Ze was dus echt ergens anders, al wist ze niet hoe dat kwam of waar dat dan was. Maar toch was ze hier, in haar eentje, veilig voor Tine en het personeel van de Martinitoren – misschien zelfs in een wereld waar die twee dingen wel helemaal niet bestonden!
Een gevoel van opwinding en avontuur borrelde ergens diep vanuit haar buik op. Haar vingertoppen begonnen te tintelen terwijl ze de trap afsloop. De treden waren breder en in een betere staat dan de traptreden waar ze eerder op had gelopen, en dat was maar goed ook, want ze durfde er niet aan te denken hoe het met haar zou aflopen als ze zou struikelen en het hele eind naar beneden zou vallen.
Het werd lichter om haar heen. Dat kon alleen maar betekenen dat ze het einde naderde. Inderdaad: de trap slingerde naar links en toen ze de bocht om was, stond ze onderaan, met haar gezicht naar twee deuren toe. De ene deur was net als die van de torenkamer: massief, donker hout en een ijzeren ring. De andere was gladder geschuurd. Ze koos de rechter deur.
Gelijk toen ze de deur openduwde, viel het daglicht in grote banen over haar heen. Ze kneep haar ogen dicht en wachtte tot de groene vlekken op haar netvlies oplosten. Daarna stapte ze naar buiten. De aarde was aangestampt en droog. Ze draaide zich om en keek omhoog, zag dat ze aan de hoek stond van een reusachtig gebouw, zandkleurig zoals de stenen van de toren. Het gebouw had kantelen en pieken en koepels. Als dit geen kasteel is, dacht Jia, dan eet ik mijn hoed op.
Eerst moest ze iets wegslikken. Daarna verzamelde ze haar moed en begon haar verkenningstocht. Overal rond het kasteel leek de aarde vlak en hard, alsof er regelmatig mensen af en aan liepen. Ze zag nu ook dat de uitgestrekte gouden grasvlakte veel verder weg lag dan ze aanvankelijk had gedacht. Hier op de grond werd het haar al snel duidelijk dat de rivier, die ze ook had gezien, misschien een kilometer verderop stroomde. Ze beklom een lichte helling en tuurde naar alle kanten. De zon stond hoog, bescheen een stad die ze vanuit de toren niet had gezien. Het licht kaatste daar op daken en koepels, zoals het ook op het dak en de koepels van het kasteel achter haar scheen. Ze snoof diep en wist nu zeker dat ze de zee rook.
Voordat ze haar weg kon vervolgen, viel haar oog op een groepje mensen. Het waren er een stuk of zes en ze bewogen zich met een doelgerichte snelheid haar kant op. Jia twijfelde er niet aan of ze hadden haar gezien. Haar mond werd plotseling droog. Zenuwachtig bleef ze staan, wiebelend van haar ene op haar andere been. Natuurlijk was er geen reden om voor vijandigheid te vrezen. Ze deed immers niemand kwaad? Toch voelde ze zich niet zeker van haar zaak…Plotseling hield ze haar adem in. Ze wist zeker dat ze iets vreemds had zien flitsen in het licht van de zon, tussen de mensen die haar kant op marcheerden. Daar – ja, daar was het weer. Terwijl ze haar ogen tot spleetjes kneep om goed te kunnen zien wat de personen bij zich droegen, kwam er al een naar voorgevoel bij haar opzetten. Een moment later sloeg haar hart een slag over van schrik.
Het waren zwaarden die flitsten in het licht; getrokken zwaarden! Voor ze het goed en wel doorhad, draaide ze zich om en begon ze in de richting van de rivier te rennen. Er klonken kreten achter haar, maar ze keek niet om.
Gelukkig was ze snel, sneller dan de meeste mensen. Ze zouden haar vast niet in kunnen halen...of toch? Even hield ze het vol om een voorsprong te houden, maar al snel kwamen de mensen dichterbij, haalden haar in, dwongen haar uiteindelijk om hijgend halt te houden. Ze was omsingeld. Hun zwaarden waren nog steeds ontbloot, maar de vreemde, schuin afgesneden punten wezen naar de grond. De mensen leken zelfs redelijk op hun gemak. Wel alert, maar daarnaast eerder verbaasd dan boos en moordzuchtig. Dat viel haar mee. Even was iedereen stil. Jia hoorde haar eigen ademhaling snel op en neer gaan. Ze keek de kring rond en de kring keek terug. Toen maakte een vrouw zich uit het groepje los door naar voren te stappen. Ze leek niet oud, hoogstens midden in de twintig. Haar kleren leken wel van zijde, met de kleur van de lichtblauwe hemel. Haar haren waren lichtbruin. In vlechtjes die tot net boven haar schouders kwamen viel het als een helm langs haar gezicht. Zij had, net als de anderen, een kort zwaard in haar handen. Gelukkig hield ook zij het nog op de grond gericht, niet op Jia’s keel. De vrouw keek haar onderzoekend, achterdochtig aan.
‘Hwas thu?’
Jia keek haar vragend aan.
De vrouw herhaalde haar vraag, ongeduldiger nu.
‘Ik,’ stamelde ze, ‘Ik weet niet wat u zegt.’
Even leek de jonge vrouw net zo verbijsterd door het horen van de vreemde woorden als zij. Ze haalde haar wenkbrauwen op, bekeek Jia van top tot teen, en formuleerde haar vraag anders: ‘Thu.’ Ze wees naar haar. ‘Hwa ist namo thein?’
‘Eh,’ Jia keek schichtig om zich heen en zag dat alle ogen prangend op haar gericht waren. ‘Ik heet Jia.’
‘Thu har Jia?’
‘Ja.’
De vrouw keek tevreden. ‘Hwar qamis thu, Jia?’
‘Wat?’
‘Theins huus. Hwar ist tat?’
‘Mijn huis...Dat…ik weet het niet. In Groningen. In een stad.’ Ze probeerde met armgebaren duidelijk te maken wat ze bedoelde. ‘Een stad. Ver weg.’ Ze wees naar de stad in de verte, maakte een vlakke, uitgestrekte beweging met haar arm. Hopelijk snapten de mensen wat ze hiermee wilde zeggen. Volgens haar had de jonge vrouw niet helemaal door wat ze bedoelde, maar ze leek voorlopig wel tevreden met het antwoord. En omdat de mensen er niet op uit schenen te zijn om haar aan hun zwaarden te rijgen, durfde ze zelf ook voorzichtig een vraag te stellen. Ze wees op zichzelf, naar de omgeving, en proefde de woorden die ze zonet had gehoord: ‘Ik…Hwar?’
Maar het leek alsof de vrouw plotseling niet meer naar háár keek. Of eigenlijk: het leek erop dat ze alleen nog maar aandacht had voor haar ene arm. Voordat Jia goed besefte wat er aan de hand was, had de vrouw haar pols vastgegrepen, zo hardhandig dat het pijn deed. De ander keek haar met verse achterdocht aan, haar pols en hand in de lucht houdend. De bedeltjes aan het gouden armbandje tinkelden.
‘Hwa ist tit?’ commandeerde ze.
Verbluft keek Jia naar haar eigen pols. Wat bedoelde dat mens nou? Die armband? ‘Laat los,’ zei ze gepikeerd. ‘Wat is wat?’
‘Tie brace mit katta.’ Ze raakte de armband aan.
Jia was het hele incident op de markt vergeten door haar vlucht in de Martinitoren. Ze keek er ook naar, haalde onhandig haar schouders op, terwijl ze probeerde haar pols los te wrikken uit de ijzeren greep die de vingers van de vrouw op haar uitoefenden. Ze had geen idee hoe ze in deze vreemde taal helemaal moest gaan uitleggen hoe ze op de markt, in een stad die hier niet bestond, een sieraad had gekregen van een maffe, buitenlandse vrouw.
Nogmaals haalde ze hulpeloos haar schouders op, schudde met haar hoofd en hoopte dat ze zo keek dat de mensen zouden begrijpen dat ze niet wist hoe ze zich moest uitdrukken. De greep om haar pols verslapte iets en de vrouw leek weer net zo in de war als Jia zelf.
‘Tat ist thein...?’ vroeg ze aarzelend. Jia knikte bevestigend. Er steeg een gemompel op van de mensen om hen heen. Jia liet haar ogen over hen gaan: het waren drie mannen en twee vrouwen, allemaal gestoken in eenzelfde soort kledij als de vrouw aanhad, alleen was de zijde bij iedereen anders gekleurd. Het had iets indrukwekkends, al kon Jia niet precies zeggen waarom ze dat vond. Ze wilde hen in elk geval liever te vriend houden. Om geen misverstanden te laten ontstaan, knikte ze nog eens en zei ze: ‘Dit is…Dit ist, eh, mein.’
De vrouw liet haar pols los en wendde zich tot de anderen. Ze zei een aantal dingen, maar sprak zo snel dat Jia haar niet kon bijhouden. Verschillende mensen mengden zich in het gesprek. Hoewel hun taal vreemde gelijkenissen vertoonde met het Nederlands, zodat de klank vertrouwd was, kon Jia het nét niet verstaan. Het was vreselijk frustrerend, vooral omdat ze zeker wist dat het overleg over haar ging.
‘Zi,’ hoorde ze een man na een tijdje zeggen. Ze ving zijn blik op. Er volgden een hoop woorden die ze niet begreep en uiteindelijk viel er een stilte.
Jia wist niet wat er gezegd was, maar iedereen leek met stomheid geslagen. Op het moment dat ze alle ogen op zich gericht voelde, wenste ze van harte dat ze ter plekke in de grond kon zakken.
‘Nei,’ zei de vrouw met de vlechtjes, maar het klonk onzeker. Ze wendde haar hoofd om en keek Jia aarzelend aan.
‘Tie brace!’ drong de man aan. Hij hief zijn arm op en stroopte de mouw omhoog, alsof hij iets wilde bewijzen. Jia sperde haar ogen open. De man had eenzelfde soort armband rond zijn pols: goud, met drie platte bedeltjes ter grootte van een munt. De vlechtjesvrouw schudde zwakjes met haar hoofd, maar nu begonnen de anderen ook instemmend te knikken Uiteindelijk leek ze het op te geven. Ze slaakte een luide zucht en gebaarde naar Jia. ‘Weis er Kattariderá. Zie,’ zei ze, wijzend op de armband van de man en vervolgens naar haar eigen pols. ‘Unsar bracá.’
‘Katten..rijder? Kattenrijders?’ Ze moest het wel verkeerd begrepen hebben! Jia had geen idee wat Kattenrijders waren. Maar ze knikte. Wat dachten deze mensen? Dat zij een van die armbanden had gestolen soms? ‘Maar wie,’ vroeg ze, ‘ik bedoel...hwa - hwa har thu?’
Er brak voor het eerst iets van een glimlach door op het gezicht van de vrouw in de blauwe kleren. Ze keek alsof Jia zonet iets heel grappigs had gezegd. ‘Ik har Marcia,’ antwoordde ze en voegde eraan toe: ‘Kom.’
Jia volgde hen dezelfde weg weer terug naar het kasteel. Daar hield Marcia even haar pas in en keek achterom. ‘Hwa qamis thu? ’
‘Ik kom daar vandaan,’ antwoordde Jia haar. Ze wees naar de toren. Er verscheen een uitdrukking van verwarring op Marcia’s gezicht. Jia dacht dat dat niet kwam doordat ze het antwoord niet begreep. Het was ook nogal verbazingwekkend om in een toren terecht te komen. Ze snapte het zelf niet eens!
Marcia bleek echter geen figuur om zich daardoor uit het veld te laten slaan, want ze gebaarde met haar arm. Volg mij, betekende dat schijnbaar, want de andere mensen liepen achter hen aan. Niemand zei meer wat.
Ze gingen een deur binnen en plotseling bevonden ze zich in een ruime, lange gang. Ook hier hingen wandtapijten aan de muren. Hetzelfde bordeauxrood met goudkleurige taferelen er op; fragmenten uit verhalen waar Jia alleen maar naar kon gissen. De grote houten plaques met twee gekruiste zwaarden hingen er ook. Toen Marcia zag dat Jia er naar keek, gaf ze een knikje met haar hoofd en zei: ‘Tat ist Lynesse’re crux.’
Ze vroeg zich af wat Lynesse was. Misschien, dacht ze, terwijl Marcia er stevig de pas in hield, was het een soort wapen – het leek er in ieder geval op.
Marcia dirigeerde haar een andere deur door, zodat ze nu in een smallere hal stonden, waarop meer dichte deuren uitkwamen. Daar ging ze links, toen weer rechts, en via een doolhof van gangen en hoeken kwamen ze uiteindelijk in een zaaltje terecht. Het was Jia opgevallen dat ze onderweg opvallend veel afbeeldingen van katten was tegengekomen. Maar ook de leeuw scheen erg in trek te zijn bij de kunstenaars.
Marcia gaf een paar bevelen en de rest van de Kattenrijders verliet de zaal. De laatste sloot de deur achter zich. Marcia nam Jia eens goed op; het voelde alsof ze door naar haar te kijken erachter wilde komen wat ze met haar aanmoest.
‘Jia,’ zei ze en ging in diezelfde vreemde taal verder: ‘Hoe kom je hier en wat kom je hier doen?’
‘Ik weet niet hoe ik hier kom,’ antwoordde ze, deels in het Nederlands, deels met de woordjes die ze in de korte gesprekken had opgepikt en deels met handgebaren. ‘Ik was in de Martinitoren, en – ’
‘Martinitoren?’ Marcia keek alsof ze maar nauwelijks iets van de vorige zin had gesnapt.
Jia knikte, maakte een langwerpig gebaar met haar beide handen. ‘Een toren. O, hoe heet dat in deze taal…tower? Taur?’
Marcia’s gezicht klaarde op bij dat laatste woord, en ze knikte langzaam.
‘Goed, ik…eh, qamis van een taur…’
Met veel vallen en opstaan lukte het hen uiteindelijk om Jia’s verhaal te reconstrueren. Als ze niet wist hoe een woord in deze vreemde taal klonk – wat voor bijna alle woorden opging – probeerde ze het zo te verbuigen dat Marcia het misschien zou herkennen. Was dat het geval, dan verbeterde zij het, en zei Jia het na, om het toch vooral niet te vergeten. Twee uur en een hoop gehaspel later had Jia het idee dat ze een aardig gevoel voor de taal had gekregen. Marcia leek door haar verhaal (ik kwam van de ene toren in de andere, en de armband kreeg ik van een vrouw op de markt) danig van haar apropos, maar daar kon Jia zich wel wat bij voorstellen. In de stilte die volgde, durfde ze het aan om haar keel te schrapen en al haar zojuist verworven kennis van woordjes en zinnetjes in de praktijk te brengen: ‘Waar ben ik?’
‘In Lynesse. Je bent in de Goudveste.’
‘En wat zijn Kattenrijders?’
‘Krijgers. Wij beschermen de reiks.’ Jia kon er niet achterkomen wat een reiks was. Marcia scheen er geen ander woord voor te hebben.
‘En jullie hebben allemaal een armband zoals de mijne?’ Jia moest een tijdje worstelen voordat ze deze zin er goed uitkreeg. Marcia knikte. ‘Er is maar één mogelijkheid,’ zei ze. ‘Jij bent ook een Kattenrijder.’
‘Ik ben hier nooit eerder geweest!’
Marcia gaf geen antwoord, maar keek haar een tijdje peinzend aan. Toen gaf ze een rukje met haar hoofd. ‘Je zult nu naar de reiks gaan.’
‘Maar ik-’
Maar Marcia zei alleen maar: ‘Kom.’
DEEL III
Braaf volgde ze de vrouw weer terug door de doolhof van gangen, totdat ze uiteindelijk weer in die grote hal stonden. Daar liepen ze een heel stuk rechtuit. Soms kwamen er mensen van de andere kant. Die bleven staan, maakten eerbiedig plaats voor de stevig doorlopende Marcia en staarden Jia met een vreemde blik na. Ze voelde zich er niet gemakkelijk onder, vroeg zich af waar ze in ’s hemelsnaam heengingen. Naar de reiks dus, wie dat ook was. Nou, ze was benieuwd.
Eindelijk vertraagde Marcia haar pas. Ze keek achterom, bijna als om te controleren of zij nog steeds volgde.
‘Wáár breng je me nou heen?’
‘Naar de reiks.’ Ze klonk ongeduldig. ‘Wees beleefd.’
‘Ja, ja,’ mompelde Jia. Ze keek toe hoe Marcia driemaal op de deur klopte en vervolgens wachtte. Van binnen klonk een antwoord. De vrouw in het blauw duwde de deur open, stapte naar binnen en trok Jia achter zich aan.
Jia zag dat ze weer in een zaal waren, ditmaal een zaal die groter was, lichter en mooier ingericht. Overal streken wandkleden neer van de muren naar de grond, die bedekt was met een dik tapijt. Het meest spectaculair was echter het plafond, hoog als een kathedraal, met een gigantisch gekleurd glas-in-lood raam. Licht viel als een regenboog overal de ruimte in. Het gaf alles een bijna bovenwereldse sfeer. Jia slikte terwijl ze Marcia een buiging zag maken. ‘Meins hera,’ zei ze tegen iemand die Jia eerst nog niet had gezien omdat hij nu pas uit de schaduwen stapte. Het was een jongen, nee: een man – nee: een jongen. Ze schatte hem misschien drie jaar ouder dan zijzelf, ook al was hij een stuk langer. Hij droeg een bloedrood, fluwelen gewaad. Een strakke gouden band moest zijn krullende, kastanjebruine haar uit zijn bleke gezicht houden. Hij keek licht verward toen zijn ogen die van haar ontmoeten. Was hij de reiks?
Marcia zei een aantal dingen, maar Jia kon het niet volgen en haar blik dwaalde af naar het plafond. Pas op het moment dat ze een por in haar zij voelde, merkte ze dat Marcia haar verwachtingsvol aankeek. Woordeloos haalde ze haar schouders op en keek naar de jongen. Hij had nog steeds niets gezegd, maar leek te verwachten dat zij nu….ja, wat? Een kunstje zou doen?
De stilte duurde voort en ze voelde dat ze onbeleefd zou zijn als ze niets zou zeggen. Dus schraapte ze haar keel. Ze wist echter niets anders te verzinnen dan de eerste twee woordjes die ze in Lynesse had gehoord: ‘Hwas thu?’
De wenkbrauwen van de reiks schoten omhoog en zijn mondhoeken verstrakten. Jia wist niet zeker of hij zijn best deed om zijn lachen in te houden, of dat hij nu in zijn wiek geschoten was. Ze keek hulpzoekend opzij naar Marcia. Die had een afkeurend gezicht getrokken en kuchte even.
‘Mijn heer, ze spreekt onze taal niet, wellicht is een volledig…’ Jia herkende het volgende woord niet, ‘…we kunnen niet van haar verwachten dat ze – ’
‘Zo te horen spreekt ze de taal heel goed,’ onderbrak de jongen haar. Zijn bruine ogen keken Jia afkeurend aan. ‘Versta je dit?’
‘Ja.’ Haar stem klonk opstandig.
‘Hoe ben je hier gekomen?’
‘Door een toren – ’
‘Ik bedoel: hoe kwam dát?’ Hij snauwde bijna. Jia opende haar mond, sloot hem weer en beet hard op de binnenkant van haar wang. ‘Geen idee.’
‘En je hebt het teken van de Kattenrijders?’
‘Ja. Kennelijk.’
Het bleef een lange tijd stil. Ze begon te vermoeden dat er nog meer van haar verwacht werd, maar toen ze zich opmaakte om nog wat te zeggen, hief de reiks zijn hand op om haar tot stilte te manen. Ze sloot haar mond weer en wachtte af.
‘Marcia heeft me niet je naam verteld.’
‘Ze heeft me ook niet jouw naam verteld.’ Het was geen goede zin die ze maakte, maar de
boodschap leek over te komen.
‘Nathaniël Rune,’ zei hij stug. ‘Ik ben de reiks. En nu wil ik graag weten hoe jij heet.’
‘Jia.’
‘Spreek in volledige zinnen, Jia.’ Hij fronste.
Ze staarde hem aan. ‘Ik spreek de taal niet goed,’ protesteerde ze. ‘Ik kan niet – ’
‘Zolang je in Lynesse bent, spreek je onze taal. Je doet maar een beetje je best.’
‘Ik ben ook zeker niet van plan om in Lynesse te blijven!’ Ze had haar stem verheven en keek boos in het rond.
‘Kun je dan terug?’ Het was de eerste keer dat Marcia zich in het gesprek mengde. Jia voelde een steek van paniek, maar onderdrukte die. Hier had ze niet over na willen denken sinds ze de torenkamer had verlaten. Want natuurlijk kon ze weer alle trappen beklimmen, maar wat als ze de deur openduwde en de kamer tevoorschijn kwam in plaats van de Martinitoren? Wat als de opening van het ene naar het andere land, hoe die er ook gekomen mocht zijn, was verdwenen? Ze ademde diep in. In plaats van haar twijfel uit te spreken, mompelde ze: ‘Als ik er in kan, kom ik er ook weer uit.’
Ze had het in het Nederlands gezegd, maar Nathaniël leek er toch meer van begrepen te hebben dan ze had gedacht.
‘En wat als dat niet zo is?’vroeg hij zacht. ‘Wat als je hier vast blijkt te zitten, Jia, wat moet ik dan met je doen?’
Ze wist het niet. Stug haalde ze nogmaals haar schouders op. Ze voelde zich ongemakkelijk onder de blikken van de twee mensen – de reiks keek ronduit denigrerend, Marcia beperkte zich tot een zakelijke afstandelijkheid.
‘Zolang je in Lynesse bent, moet je jezelf maar nuttig maken,’ verklaarde Nathaniël toen. Hij deed een stap achteruit, als om het einde van het gesprek aan te kondigen. ‘Je hebt een armband van de Kattenrijders. Marcia wil je – ’
‘Nee!’ Jia schudde haar hoofd, terwijl ze haar armen stijf voor haar borst kruiste. ‘Ik kwam hier per ongeluk en ik ben helemaal niet van plan om me nuttig te gaan maken. Ik ga naar huis!’
Ze wachtte de reactie niet af, maar draaide zich resoluut om en beende de zaal uit. Het was lastig om de weg terug te vinden tussen de wirwar van gangen, maar uiteindelijk kwam ze weer in de kleinere hal terecht waar Marcia haar eerst naar binnen had geleid en stond ze buiten in het volle zonlicht. Het was nog steeds middag. De zon was een stuk verder in haar baan rond de aarde, maar heel veel later kon het niet zijn. Even stond ze stil, schoof de stof van haar mouw van haar pols weg en keek op haar horloge. Kwart over drie. Achter zich hoorde ze een stem. Het was Marcia, die haar naam riep. Jia rende het heuveltje op waar ze eerder ook op had gestaan en keek om zich heen om de toreningang te vinden.
De vlakte in de verte strekte zich nog steeds verstild en goudkleurig tot aan de horizon uit. Daarachter lagen de bergen. Ze merkte dat ze zich onwillekeurig afvroeg hoe het er daar zou uitzien. Het leek op een soort savanne.
Het geluid van voetstappen verraadde dat Marcia haar had ingehaald. Het had geen zin om weg te rennen. Daarom bleef ze roerloos staan en keek met toegeknepen ogen naar het vreemde land. Marcia zweeg en keek met haar mee.
‘Wat is de naam van deze taal?’ vroeg Jia uiteindelijk, zonder haar blik los te maken van het uitzicht.
‘Lynesser,’ antwoordde Marcia zacht.
Jia zei niets meer. Ze wilde weer in beweging komen; ze wilde naar de torenkamer, terug naar haar eigen wereld. Toch bleef ze staan. Het was alsof haar benen opzagen tegen de taak om haar helemaal naar huis te dragen, dat ze vonden dat de droge, onbekende aarde van Lynesse een betere ondergrond was om op te staan. Ze snoof.
‘De Leeuwenvlakte,’ zei Marcia plotseling naast haar.
Nu lieten haar ogen de horizon wel los. Ze keek opzij. ‘Wat?’
‘Dat is de Leeuwenvlakte,’ wees de vrouw. Ze knikte met haar hoofd en alle vlechtjes deinden mee. ‘Wij rijden daar.’
‘Zijn daar echt leeuwen?’
Marcia lachte om Jia’s gezicht. ‘Natuurlijk. Waarom zouden we anders zo’n band met hen hebben?’
Jia dacht aan alle afbeeldingen van katachtigen die ze had gezien en schudde verbaasd haar hoofd. ‘Ik dacht dat het…’ ze maakte een gebaar met haar handen om het bedoelde woord aan te duiden, ‘symbolisch was.’
‘Het is echt.’
‘O. Ik…Marcia, ik ga nu naar de toren.’
Ze haastte zich van de heuvel af, zonder te kijken of Marcia haar volgde of niet. Het maakte haar ook niet uit – plotseling wilde ze alleen maar zo snel mogelijk naar huis, voordat de vrouw weer zou beginnen over de Kattenrijders.
Het was niet zo dat het idee van dit sprookjesachtige andere land niet tot haar verbeelding sprak. Het was ook niet zo dat ze de gedachte aan de Kattenrijders niet interessant vond. Maar de onaardige woorden van de reiks hadden haar bang gemaakt: wat als ze echt niet meer terugkon? Wat moest ze dan doen?
Ze duwde hard tegen de deur van de toren, stormde naar binnen en rende de trap op. Marcia kwam haar weer achterna – die was zeker wel benieuwd of het haar zou lukken om terug te komen.
Toen ze eindelijk bij de deur van de kamer was aangekomen, bleef ze niet staan om Marcia de tijd te geven om ook boven te komen en het gebeuren gade te slaan. Ze opende de deur en slaakte een harde, onbedoelde gil.
Het was de ronde kamer met de rode wandtapijten en het zonlicht dat naar binnen stroomde. Ze vloekte drie keer achter elkaar en draaide zich vervolgens in de deuropening om. Niet alleen Marcia, maar ook Nathaniël stonden boven aan de trap naar haar te kijken. Waar die jongen zo snel vandaan was gekomen wist ze niet, maar misschien was de linkerdeur onderaan de toren een kortere weg geweest. Hij begon te praten. Ze verstond slechts de helft van wat hij zei en eigenlijk nam ze niet de moeite om naar hem te luisteren. Ze sloot de deur met een klap, opende hem weer, sloot hem weer toen dezelfde kamer tevoorschijn kwam en stampte met haar voet op de grond. Nog één keer herhaalde ze dit proces, het gevoel van paniek maakte zich steeds meer van haar meester. Ze kon niet terug. Het was precies zoals ze gevreesd had; ze zou nooit meer terug kunnen komen en haar ouders zouden denken dat ze was ontvoerd, vermoord, verkracht en voor eeuwig verloren…Ze sloeg de deur dicht. De klap deed pijn aan haar oren.
‘Genoeg!’ donderde Marcia. Verschrikt draaide ze zich om. De vrouw greep haar bij de polsen. ‘Dit is niet jouw woning, Jia!’
‘Laat me los,’ snauwde Jia, en ze gaf een wilde ruk met haar arm. ‘Ik hoef hier helemaal niet te wonen!’
‘Maar je kunt niet naar huis, is het wel?’ De reiks leunde met zijn rug tegen de zandkleurige muur van de toren. ‘Je bent in Lynesse. Zolang je hier bent, maak je jezelf maar nuttig. En ik wil niet dat je met mijn deuren smijt.’
Ze opende haar mond om hem toe te snauwen dat hij zijn kop moest houden, maar ze wist niet hoe ze dat moest zeggen. Gefrustreerd draaide ze zich weer om. ‘Ik kan wél naar huis, reiks. O, rotdeur! Laat me erdóór!’
Voor de laatste keer probeerde ze de deur open te doen. Plotseling hield ze haar adem in en viel haar mond open. In plaats van de torenkamer keek ze nu naar het hoge, verboden gedeelte van de Martinitoren. Half om de bocht was de open koepel waar ze langs was geglipt. Ze zag een glimp van de gebouwen van de stad.
Achter zich hoorde ze hoe Marcia hard uitademde. Nathaniël Rune was zelfs helemaal stilgevallen. Ze wierp een vluchtige blik achterom en zag ze dat hij met een nog bleker gelaat en met zijn bruine ogen opengesperd, stond te staren naar wat hij nooit eerder had gezien.
‘Het werkt,’ mompelde Jia. Nu pas voelde ze hoe de opluchting haar vederlicht maakte. Nu het gevaar niet meer bestond om voor eeuwig gevangen te zitten in een vreemd land, wist ze niet meer zo zeker of ze wel zo’n haast had om weg te komen. Aan de andere kant van die deur wachtten immers complicaties als rondrennend Martinitoren-personeel, Tine en Rebecca. Maar ja; ze kon ook onmogelijk tot in de eeuwigheid in de deuropening blijven staan.
Een Groningse wind bereikte hen vanaf de andere kant. Ze voelde haar haren naar achteren strijken toen ze weer door de open koepel keek. Ze zag een stuk van de lucht. Die was eerst stralend blauw geweest, maar nu was het loodgrijs daarboven. Ook de wind voorspelde niet veel goeds. Ze dacht dat ze in de verte al gerommel hoorde. Ze moest maar snel naar huis.
‘Ik ga,’ zei ze.
Nathaniël maakte een wuivend handgebaar, alsof hij haar liever kwijt dan rijk was. Jia zuchtte luid. Zonder nog een woord te zeggen wilde ze door de deur glippen en verdwijnen, maar Marcia hield haar tegen.
‘Kom je terug?’
Jia rolde met haar ogen. ‘Hoe zou ik dat moeten? Voor de laatste keer, dit is een hoge taur, en dit gedeelte is verboden, en – waarom wil je dat eigenlijk?’
‘Ik kan een rijder gebruiken,’ antwoordde ze kalm en met uitgestreken gezicht. Jia moest even naar woorden zoeken. ‘Waarom zou ik een rijder zijn?’ bracht ze toen uit. Ze had het zich al de hele tijd afgevraagd.
‘Je hebt toch een armband?’
‘Ja, nou en! Ik zei al dat ik die gekregen heb. Toeval!’ Ze gebaarde woest met haar armen, in een poging uit te beelden dat iets haar toe viel. Marcia leek het niet te begrijpen.
‘Als je terugkomt, word je een rijder,’ zei Nathaniël. Hij klonk stellig.
Jia kreeg meer en meer een hekel aan hem. ‘Kan iedereen daar dan maar bij?’
Marcia haalde haar schouders op. ‘Alleen als we denken dat ze goed zijn.’
Jia lachte kort. ‘En ik ben goed? Zou ik vechten? Ja, ik zou een mooie rijder zijn, hoor!’
Weer haalde Marcia haar schouders op. ‘Je bent snill. Je bent jungs en stark.’
‘Ik ben een lafaard.’ Ze snoof. ‘Ik ren weg voor een paar meisjes met een grote mond.’ Ze zei het niet voor hen om te verstaan, en terwijl ze sprak draaide ze zich alweer om, maar weer hield Marcia haar tegen. ‘Je kwam hier. Waarom? Waarom zou je dan niet een deel kunnen zijn van de Kattenrijders?’
‘Wat doen die Kattenrijders ook alweer?’ Jia gluurde naar Nathaniël. Die trok een gezicht en keek demonstratief de andere kant op. ‘Die beschermen hem – die beschermen de reiks, toch?’
‘Ja.’
Ze schudde haar hoofd en draaide zich weer om. Ze moest niet te lang met die deur open blijven staan. Waarschijnlijk hadden de medewerkers die haar op de hielen hadden gezeten, zich een uur lang afgevraagd waarheen ze was verdwenen. Het zou best kunnen dat ze terug kwamen. Weer schudde ze haar hoofd. ‘Waarom zou ik hem willen beschermen?’
Zonder een van de twee nog een kans te geven iets te zeggen dat haar tegen zou kunnen houden, stapte ze over de drempel en sloot beslist de deur. Lynesse verdween met een klik van het slot. |
Illustratie: Een nieuwe wereld
Of in kleur!
Oké. LANG. Ik weet het. Toch heb ik besloten om dit hoofdstuk in één geheel te posten, omdat ik het anders afbreuk vond doen aan het lopende geheel. 'k Heb het, om het goed te maken, maar in een deel I, deel II en deel III opgedeeld, zodat het misschien iets makkelijker is om met tussenpozen te lezen.
Dus. Over dit verhaal. Ik verwacht niet dat veel mensen het zullen lezen, want vervolgverhalen zijn niet populair, en LANGE vervolgverhalen al helemaal niet. Ik weet dat het eigenlijk meer fantasy is, maar ik heb toch voor avontuur gekozen, omdat er geen elfen, dwergen, gnomen, nimfen, kabouters, heksen, tovenaars, levende dooie dingen etcetera invoorkomen  |
Adira
14-06-2006 23:54
|
Bij de Goden, wat een lap tekst. Ik heb deel I gelezen en morgen ga ik het hele stuk eens uitprinten om op mijn gemak in de tuin te lezen 
Ik volg nu officieel TE veel vervolgverhalen, maar what the heck, ik lees ook gemakkelijk vijf boeken door elkaar. Een vervolgverhaaltje meer of minder kan er wel bij 
Avontuur vind ik ook een veel betere benaming voor dit verhaal, hoor. Avontuur is goed, af en toe nog beter dan fantasy. ^^
Jup, ik ga volgen, maar dan print ik het wel mooi uit. Het is veel te lekker weer om een half uur lang naar een scherm te staren en waarschijnlijk houd ik dan toch mijn gedachten er niet bij.
Tof 
DawRei - 15-06-2006 14:57
Well, I warned ya  Iig, dank je wel 
|
|
Henny
15-06-2006 11:02
|
En dit verhaal wilde jij ons onthouden! Ik heb alles gelezen en zal je blijven lezen. Je hebt een fan.
DawRei - 15-06-2006 14:58
Alles in één keer? Hoe gaat het met je ogen?  Dank je wel, Henny! 
|
Henny - 15-06-2006 14:59
Heel goed, ik heb een duidelijk en helder scherm. 
|
DawRei - 15-06-2006 15:08
Oke, tof 
|
|
ex-lid
15-06-2006 11:21
|
Goh, waar herinner ik me Nathaniel toch van... 
Eindelijk maar toch gelezen eh? Ik vind dat je sfeerbeschrijvingen erg mooi zijn, vooral als Jia daar aankomt, echt heel pakkend. Vind het wel moeilijk hoogte te krijgen van Jia's persoonlijkheid, maar 'k neem aan dat dat nog wel komt in de komende hoofdstukken. Tof tof tof, dat is wat het is.
Paar puntjes van kritiek: je begint met Tina en gaat over op Tine Ennehm sommige stukjes begin je de zinnen wel erg vaak met 'Ze'. Even op letten wellicht? En er staat ergens een foutje in de Italics ^^
lichtelijk verbaast -> oepsedepoeps? 
hoewel ze niet met de punten allemaal bloeddorstig naar haar keel wezen. Beetje maffe zin, struikelde erover 
Wees beleeft -> Again, oepsedepoeps 
Maar da's een minieme hoeveelheid kritiek voor een dergelijke lap tekst eh 
Floree
DawRei - 15-06-2006 15:00
Waar herinner je je Nathaniël van? Ach, Jia, dat komt nog wel. Eh. Hoop ik  Ohja, begon ik met Tina? Shit man. Nano, ey  Dan krijg je dat soort dingen. Oepserdepoeps 
|
ex-lid - 15-06-2006 15:38
Oepsedepoeps  Van de namen die we langs gingen voor het kind van Miri 
|
DawRei - 15-06-2006 18:26
Oh  Dat kan ik me niet eens meer herinneren 
|
Adira - 21-06-2006 08:48
Nee, dat was Nathanaël
|
ex-lid - 21-06-2006 09:11
Ja, dat was jouw versie
|
|
domblontje1987
16-06-2006 12:45
|
Volgens mij heb ik een foutje gezien, maar ik weet het niet zeker .
In de zin: Hij keek alsof ze hoopte dat ze ook nu weer een bestelling zou doen, maar ze schudde haar hoofd... Moet de eerste ze (die voor hoopte staat) geen hij worden, want ik neem aan dat de verkoper er hoopt en je schrijft dat dat een man is .
In de volgende zin staat: Jammer dat ik er geen aardbeienjam bij heb, dat ze loom, terwijl ze langs de kraampjes op de markt liep Ik neem aan dat dat dacht moet zijn.
In de zin: Ze struikelde verder, en net toen ze een bocht rondde, botste ze teken een man op... een snelheidsfoutje, maar ik zou teken even in tegen veranderen .
Weer een foutje gevonden: Steeds een stukje hoger hees ze zichzelf, terwijl ze haar vingers wit klemde om de spalies... volgens mij moet spalies, tralies zijn of iets anders .
In de zin waar Jia ingehaald word door de vreemde gewapende mensen en waar je hun kleding beschrijft staat: hadden de kleur van een de lichtblauwe hemel boven hun ik denk dat het woordje een hier weg moet .
Zonder iets te zeggen volgde ze haar de weer terug door het doolhof van gangen deze zin loopt niet echt lekker, maar ik dat kan ook aan mij liggen
In het gesprekje met de reiks staat ergens: we kunnen niet van haar verachten dat ze waarschijnlijk moet verachten, verwachten zijn denk ik.
Oké sorry als het bovenstaande rommelig, onduidelijk en fout is. Ik heb tijdens het lezen de dingen in een pbtje neergezet en dat kan dus een beetje vaag zijn. Als je zegt van mens waar bemoei jij je mee, dan is het ook goed, dan vergeet het bovenstaande maar .
Nu over het verhaal, ik vind het echt geweldig spannend. Je hebt echt een fijne schrijfstijl en een mooie manier van vertellen. Ook houd ik wel van een opstandig hoofdpersoontje die belangerijke mensen afzeikt, want ik neem aan dat die Nathaniël een belangerijk iemand is .
Ja ik ga dit zeker te weten volgen, alleen weet ik niet of ik telkens een hoofdstuk meteen lees, maar dat zie je dan vanzelf wel
Erg graag gelezen
Maureen
DawRei - 16-06-2006 13:15
Dank je, Maureen! De foutjes zijn er gelijk uitgehaald, dank je voor het aanwijzen. Wat glippen die dingen er toch snel in, in grote stukken tekst! En dank je voor het lezen, uiteraard
|
domblontje1987 - 16-06-2006 19:06
Ja idd, ik vind het erg knap dat het er maar zo weinig zijn en allemaal snelheidsfoutjes. In mijn teksten is het lijstje groter en die duren maar 3 minuten  . Enne graag gedaan uiteraad 
|
|
Elina
16-06-2006 17:41
|
Vraagske: Waarom stop je op dit moment!!!!!!!!! Het was net zo spannend! Korter gezegd: ik ga dit verhaal volgen. Benieuwd naar de rest en zeker naar Jia en de reiks. Graag gelezen!
DawRei - 16-06-2006 18:04
Fijn dat je zo positief bent, Elina, dank je wel. Ik zal snel het vervolg posten! 
|
|
Nain_Usar
16-06-2006 17:46
|
Oké, ik heb nu het eerste deel gelezen en ga na het eten verder. 't Begint echt al heerlijk spannend . Verhalen waar pest-situaties in voor komen, stellen mij door frustrerende identificatie altijd meteen keihard voor de keuze om het meteen weg te leggen of als een gek door te lezen... ik lees door!
DawRei - 16-06-2006 18:05
Je maakt me blij  Geen zorgen, in de loop der tijd kan Jia zeker tegen die pestkoppen op 
|
Nain_Usar - 16-06-2006 18:33
Voor ik het vergeet: tweede deel, negende alinea: "Gelukkig hield ze het op de grond gericht, niet op Jia's keel."
|
Nain_Usar - 16-06-2006 18:38
Een stukje daaronder: "De vrouw besteedde er geen aan d acht aan, maar keek haar met verse achterdocht aan..."
|
Nain_Usar - 16-06-2006 18:48
Zo, en dat was deel twee.  I must say I'm certainly impressed. Het 'taaltje' (klinkt denigrerend, maar zo bedoel ik t niet  ) is erg geloofwaardig en doet me inderdaad aan Middel- of Oud-Nederlands denken, vooral de manier waarop het is geschreven.
|
Nain_Usar - 16-06-2006 18:49
Hoewel ik nog niet zoveel heb gelezen, vind ik het al erg geloofwaardig! Ik ga zo verder met het derde deel.
|
DawRei - 16-06-2006 20:36
You rule! Dank je. Blij dat je de invloeden van de taal herkent  Lees-ze! 
|
|
Fiona
16-06-2006 21:29
|
Ondanks de lengte is dit nog steeds een erg overzichtelijk verhaal en dus leest het als een trein! Het is spannend, origineel én het smaakt naar meer. You go girl! 
Mijn opmerkingetjes:
Ergens schrijf je voetstappen met dubbele -s. In die alinea waar Jia de trap op rent.
Iets verderop schrijf je dat Jia's enkel dubbel klapte. Vreemd is wel dat je hoofdpersonage daar geen last van heeft?
Over Marcia schrijf je: Ze zag eruit als een jaar of twintig In mijn oren klinkt dit 'krom' en volgens mij kan je dat beter op een andere manier formuleren. Bv: Ze leek een jaar of twintig. Ze was een vrouw van een jaar of twintig. Ze had het uiterlijk van een twintigjarige. Volgens Jia was ze een jaar of twintig. Jia schatte haar een jaar of twintig. Und so weiter...
Die taal van de Graslanders vind ik schitterend gevonden! Het heeft wat Duitsachtig hé. Vandaar dat ik het vreemd vond dat je ergens 'Ik har Marcia" schreef. Waarom niet 'Ich'?
Ik kijk alvast uit naar een vervolg! Dit is geweldig!
DawRei - 16-06-2006 21:34
Wiew! Nog maals heel erg bedankt! Het foutje met de s verbeter ik gelijk. Je kunt je enkel wel verzwikken zonder gelijk kreupel te lopen, maar wellicht pas ik het nog aan. Even overna denken  Zelfde geldt voor Marcia's leeftijd - ik heb zelf het gevoel
|
DawRei - 16-06-2006 21:36
dat het opzich wel een goede zin is. Ga ik dus ook even over piekeren Ik har Marcia is meer Scandinavisch. Ik heb dan ook gebaseerd op een combinatie van Gotisch, Scandinavisch, Oud- en Middelnederlands, en het huidige Nederlands, natuurlijk.
|
DawRei - 16-06-2006 21:37
Ich werd me te Duits. Ik kan helemaal geen Duits!  Tot het volgende deel, hopelijk 
|
|
Yale
18-06-2006 14:23
|
Ik had een heel lijstje met kleine spellingfoutjes, maar die zijn verloren gegaan, helaas.
Maar ik kan in elk geval zeggen dat ik dit verhaal wel met plezier heb gelezen. Het loopt lekker, de omschrijvingen en gebeurtenissen zijn cool. (Leuk ook dat stuk hoog op de Martinitoren. ) Als de foutjes eruit zijn, loopt het helemaal lekker vloeiend.
Ook dat taaltje vind ik eigenlijk heel lollig gedaan. Je maakt me nieuwsgierig hoe dat zit met die kattenrijders. En die Reik en de rest van dat land, dus dat zit helemaal goed. Ik ga door naar het volgende deel. (als dat nog lukt voor vandaag. )
Graag gelezen.
Groet,
Yale
DawRei - 18-06-2006 16:06
Dank je, Yale 
|
|
Celtica
18-06-2006 16:45
|
Je hebt een heel verzorgde, prettig leesbare schrijfstijl, DawRei. En wat een heerlijk verhaal... Lang, ja, maar zeker de moeite van het lezen waard. Ik bewaar nog een stukje voor vanavond en zal ook de volgende delen met plezier en aandacht volgen.
Ik las niet veel foutjes, maar ze staan er wel degelijk in (zoals hierboven anderen ook al hebben opgemerkt). Als je je verhaal helemaal af hebt, dan kun je misschien iemand vragen het redactioneel door te nemen in Word. Het heeft niet zoveel zin om op zo'n lap tekst redactionele zaken aan te geven. Iedereen ziet namelijk weer wat anders.
Eén opmerkinkje wil ik toch plaatsen. Je zet heel vaak een komma voor 'en'. Dat is op de meeste plaatsen overbodig.
DawRei - 18-06-2006 17:17
Heel erg bedankt, Celtica!  Ik zal, als alles af is, zeker een derde persoon vragen om het kritisch door te nemen, want zelf word je er al snel blind voor  Je hebt gelijk wat betreft die komma's voor een en - het is een tikje dat ik soms wel en soms
|
DawRei - 18-06-2006 17:18
niet doe; ik moet er eens wat consequenter in worden  In elk geval zit het nu weer vers in mijn achterhoofd  Tot het volgende deel, naar ik hoop! 
|
|
leesmicrobe
18-06-2006 17:28
|
Hey! Ik heb alles rustig doorgenomen en ik heb het mij niet beklaagd. 
Vooraleer ik ook wat foutjes - ik beperk mij tot de voornaamste ! - opsom, even dit.
Ik vind dat je redelijk verzorgd schrijft. Je verhaal is goed gestructureerd en op het eind van elk deeltje weet je voldoende 'cliff hanger-techniek' aan te wenden om je lezers - deze toch! - aan te sporen tot het onmiddellijk verder verslinden van je verhaal. Goed gedaan!
De verhaallijnen zélf vind ik minder origineel dan mijn voorgangers hier. Poorten tot andere dimensies/verleden/toekomst zijn voor mij, leesveelvraat, allerminst nieuw. Ik tref ze af en toe aan in romans, kortverhalen en strips.
Vandaar mijn vraag of je een bepaald doelpubliek voor ogen hebt hier. Waarom ik dat ook vraag? Ik vind dat dit verhaal uitstekend geschikt is als jeugdverhaal. Schrik niet want ik bedoel dit als een compliment. Een jeudig(er) publiek zal dit zeker kunnen smaken want het is vlot geschreven, spannend en bevat enkele leuke vondsten.
Voor volwassenen als ik die al wat leesvoer achter de kiezen hebben, is er tè weinig dat kan verrassen. Bepaalde verhaalvondsten en je leuke stijl maken wel veel goed, maar ik zou je toch willen vragen om mijn opmerking over dat jeugdverhaal eens goed te overwegen.
De foutjes dan (zo'n lap tekst kan niet anders dan fouten bevatten hé! )
Deel I
'..dat ik geen aarbeienjam bij heb , dacht ze loom' ipv 'dat ze loom'
'wierook' ipv 'wierrook'
'onbeweeglijk' ipv 'onbewegelijk'
'haastige voetstappen' ipv 'voetsstappen'
'botste ze tegen een man op' ipv 'teken een man'
'ze kon zichzelf wel voor de kop slaan'
Deel II
'de stilte die haar ineens had overvallen' ipv 'was overvallen'
'waar bergen aan de horizon oprezen' ipv 'verrezen' : dat impliceert immers een herhaling!
De zin die begint met 'zo was er een hert' klopt niet helemaal .
'verzamelde haar moed bijeen' is een contaminatiefout : raapte bijeen of verzamelde.
'hier op de grond' ipv 'hier om de grond'.
'lichtelijk verbaasd' met -d!!
De zin 'om geen misverstanden te laten ontstaan wees, knikte ze nog eens' klopt niet.
'instemmend te knikken' ipv 'de knikken'
'twee uur en een hoop gehaspel later' ipv 2x later.
Deel III
Je eerste zin klopt helemaal niet!!
'Wees beleefd' met -d !!
'of dat hij nu in zijn wiek geschoten was' ipv 'uit zijn slof' : dit klopt niet in deze context.
'we kunnen niet van haar verwachten' ipv 'verachten'.
'voetstappen achter haar vertelden' ipv 'vertelde'.
'van de reiks die ze trouwens een erg vervelend (mannetje) vond' Er ontbreekt een woord!
Verder lopen sommige zinnen ritmisch minder goed vanwege foute leestekenplaatsing , maar dat nader belichten zou ons hier te ver voeren, dus hou ik het hierbij.
Proficiat! Ik vind dat dit een bijzonder geslaagd jeugdverhaal is dat - mits enig schaafwerk - naar een uitgeverij kan. Ik meen het!
Vriendelijke groet,
Wim
DawRei - 18-06-2006 17:31
Nou, Wim, wát een reactie! Heel fijn dat je er zo de tijd voor hebt genomen, echt.  En je slaat de spijker op zijn kop! Ik heb dit puur als jeugdverhaal bedoeld, zo'n beetje in de sferen van Tonke Dragt en Thea Beckman. Je hebt ook absoluut gelijk dat
|
DawRei - 18-06-2006 17:33
poorten naar elders niet zo denderend origineel zijn. Dat wist ik ook toen ik eraan begon, maar ik wilde graag een "traditioneel" thema nemen. Net als jij ben ik het vaker tegengekomen, maar ik wilde er graag zelf ook eens wat mee doen  Ik ben je enorm
|
DawRei - 18-06-2006 17:33
dankbaar voor je lovende woorden!!
|
leesmicrobe - 18-06-2006 17:37
Ik las het graag dus de dankbaarheid is wederzijds.  Groetjes en tot je volgende deel hé!!
|
|
Jordos
20-06-2006 12:04
|
Hoi hoi,
Ik dacht ik reageer maar na elk deel anders weet ik niet meer wat ik wilde zeggen 
Eerst even een foutje: "maak keek waar ze..." maak = maaR"
En een zin die ik niet helemaal lekker vind lopen: "Het was jammer... kon verschuilen." Die klopt niet, of is nogal omslachtig, of ik heb nog slaap in mn ogen 
Nu het verhaal. Ik bewonder me echt over je schrijfstijl. Het verhaal IS boeiend en IS erg leuk om te lezen. Dat zie je niet altijd hierzo. Ik wilde dat het mij zo vlot afging zoals het bij jou schijnt te gaan 
Maar als je echt plannen hebt om t uit te geven, dan kan het hier en daar wel wat improved worden denk ik. Jammer dat ik alleen niet precies weet hoe. Laat ik eens kritisch zijn...
De eerste paar alinea vond ik wat rommelig en niet heel vloeiend. Lekker vaag commentaar weer, maar op de een of andere manier vond ik dat stukje niet helemaal perfect.
Het stukje bij de marktktaam is super, kan zo uit een (goed) boek komen. De dialogen, die vrouw met de ontbrekende tanden, haar getwijfel...perfect 
Dan de achtervolging. Die verloopt even soepel. Hoewel ik denk dat er wat zinnetjes geschrapt zouden mogen worden. Om er wat meer snelheid in te brengen. Geen idee of het werkt, maar je zou eens kunnen kijken.
De klim in de toren is spannend en goed. De verdwaasde toeristen, prachtig. Zou je misschien wat komischer kunnen maken, daar ben je goed in 
Dus overall, erg goed verhaal, hoewel het hier en daar geperfectioneerd kan worden volgens mij. Ik denk dat het grootste minpunt is dat je vaak jouw mening als schrijver laat weten. En dan moet je, voorzover ik weet, nooit doen.
Ik hoop dat je wat aan dat gebrabbel hebt Anders kijken we er samen eens naar ofzo, zin voor zin 
Maar nu, hup naar deel 2...
DawRei - 20-06-2006 13:02
Hee, dank je joh, voor je uitgebreide reactie! Rest assured dat ik er wat mee zal doen. Bijvoorbeeld over die mening als schrijver, daar zal ik mijn gedachten eens over laten gaan (had niet eens door dat ik het zoveel deed  )
|
|
Jordos
20-06-2006 12:53
|
Daar zijn we weer 
Dit deel was een stuk aantrekkelijker, verslavender dan het vorige. De nieuwe wereld beeld je mooi uit en het enthousiasme van Jia breng je lekker subtiel. Dat is wat de lezer wil, hints en geen uiteenzettingen Ik moet er wel bij zeggen dat ik het tot nu toe niet bijster origineel vind, maar we zijn nog in den beginne.
Ik kon geen spelfouten vinden. Wel vond ik deze zin erg jammer: "het was, in feite,...in groningen." - waarom verraad je dat nou?! Niet doen gekkie, laat de lezer t zelf bedenken. Dit is spanning weggooien lijkt me.
Wat wel vet gedaan is, is die deur die vast zit. In de volgende zin bedenkt ze dat dat de balk er nog voor zit. Dat soort shit moet je vaker doen 
Oh wel een foutje trouwens, als je de afbeelding van dat doek beschrijft. Over de leeuw, daar ontbreekt 'een', of misschien 'de'.
Er zijn veel vragen opgeroepen en dat is koel. Spanning ontbreekt niet in ieder geval. Ik ga verder.
DawRei - 20-06-2006 13:04
En nog een keer dank je wel  Ja, die originaliteit...is moeilijk te realiseren, tegenwoordig  Ik doe mijn best uiteraard  Maar het heeft inderdaad wellicht wat tijd nodig om tot stand te komen. In elk geval...thanks! 
|
|
Jordos
20-06-2006 13:20
|
Ik vind het echt vet dat ze weer terug kan en gaat! Das verhaaltechnisch echt heel gaaf. Dan is het rond weetjewel. Ben zeer benieuwd hoe ze in Groningen op haar zullen wachten.
Ik weet niet veel commentaar te leveren op dit deel eigenlijk. Het gaat soepel en is boeiend. Soms leg je iets te veel nadruk op dingen die al duidelijk zijn. De lezer is niet dom, en het leuker om iets te vermoeden dan om iets uitgelegd te krijgen.Let daar eens op voor de gein 
Oh en jou mening is in dit laatste deel ook weer erg goed te onderscheidden (vooral over die hooghartige reiks). Zo lees ik ergens -sukkel- tussen een zin en vertel je dat Jia hem een vervelend mannetje vind. Alsof we dat nog niet wisten. Dat zou ik eruit halen.
Verders, erg geslaagd zoals ik al zei. Je bent goed op weg. Hoofdstuk 2, here i come
DawRei - 20-06-2006 14:23
Huzzah! 
|
|
Adira
21-06-2006 09:05
|
*Schop!* Die was voor school voor het belemmeren van het lezen van dit verhaal 
Zoals beloofd krijg je feedback nu ik het uitheb, maar ik moet opschieten omdat de les zo begint 
Ehm ja... feedback. Ik heb niets zinnigs meer te melden behalve dan dat ik het verhaal erg origineel vind en the suchness. Maar goed, je komt ook niet iedere dag in een wereld terecht waar ze op grote katten rijden en waar je ook weer uit terug kan, hehe 
Het leest heerlijk weg, uhu, komt vooral door je schrijfstijl. Mooi beschreven, genoeg details (maar niet te veel, gelukkig ) en die taal is erg tof omdat je zelf ook een beetje kunt gaan puzzelen wat ze nu bedoelen.
Ik qamis van een taur klinkt echt verschrikkelijk grappig en ik moest mijn lach inhouden in de mediatheek hier. 
Anyhow, morgen hoofdstuk 2 (of vandaag, als ik achter de computer op school kan sneaken). Je hoort nog van me
DawRei - 21-06-2006 11:41
Dank je, Adira
|
|
ex-lid
20-07-2006 12:52
|
Mi = fan
DawRei - 30-07-2006 20:04
Dank je, anoniem 
|
|
Doubleday
08-08-2006 23:32
|
Verrassend dat Jia tegen de reiks een eigen willetje gaat vertonen. Dat belooft nog wat, vermoed ik.
Voor mij als non fantasie-liefhebber (ik weet het, dit is niet echt fantasy) is het nèt boeiend genoeg om de vervolgen ook te willen lezen. Als het aan de spanning voldoet die ik verwacht, zul je het wel merken aan de complimenten.
Thumbs up!
DawRei - 08-08-2006 23:44
Nou, dat zullen we dan maar afwachten, hè? Houd daarmee wel rekening dat dit dus als jeugdverhaal is bedoeld - misschien boeit het doorleefde volwassen die ervaring hebben met literatuur wel iets minder  Bedankt!
|
DawRei - 08-08-2006 23:45
*volwassenen, bedoelde ik natuurlijk.
|
|
Hope
03-09-2006 21:17
|
Je hebt er zeker een nieuwe lezer bij. Ik ben eindelijk door dit deel heen, het heeft even gekost, maar het is gelukt en ik wil meer
Ik volg gewoon op m`n slakkegangetje, maar dit verhaal wil ik mezelf zeker niet onthouden
DawRei - 03-09-2006 21:19
Wat leuk, Hope! Dank je wel 
|
Hope - 03-09-2006 23:18
|
|
celine
13-10-2006 22:47
|
Zo... even ademhalen zeg, wat een stuk! 
Fijn dat je dit stuk hebt ingedeeld in drie delen, zo leest het net iets fijner en houd je de concentratie langer vast 
Het valt me op dat je al direct de aandacht weet vast te houden, al vanaf het begin van het verhaal. Je stijl is erg fijn om te lezen, dusondanks dat het lang was bleef ik het wel met veel plezier lezen. Mijn complimenten voor dit stuk!
Ik heb verder weinig aan te merken hierop. Het loopt lekker en vraagt om meer 
Waarom heb je hier eigenlijk geen uitroepteken voor gekregen? 
DawRei - 13-10-2006 22:53
Dank je wel! Ja, waarom...'t Is te lang, denk ik 
|
celine - 14-10-2006 18:10
Geen idee, maar is wel schandalig hoor datj e die niet hebt gekregen! 
|
|
tuurtje
24-11-2006 19:16
|
Dit is een goed verhaal, vlot geschreven en met oog voor detail. Het leest uitnodigend. Als je hier zoveel aandacht aan besteed, ga je denk ik ook wel een keer een boek uitgeven in je leven, want dat wil je - en schrijven kun je! Dit verhaal heeft ook de potentie daarvoor en ik kan me heel goed voorstellen dat het je grote liefde is - het heeft kwaliteit en er is goed over nagedacht. Je hebt zelfs een aanzet gegeven tot het ontwikkelen van een nieuwe taal! De andere delen moet ik nog lezen natuurlijk en dat zal met plezier zijn.
De vondst van de torenkamer in de martinitoren (in combinatie met de armband) vind ik origineel. De hoofdpersoon doet met een beetje denken aan Bastiaan van Het Oneindige Verhaal van Michael Ende, die ook gepest werd en de werkelijkheid uitvlucht.
De naamkeuzes vind ik natuurlijk (net als de dialogen) en de beschrijving van Lynesse treffend.
Paar dingetjes, doe hier eventueel je voordeel mee.
"dat jij je uiterste best gaan doen" -> gaat doen
"ze hoorde een auto toeteren... maar zag dat die niet voor haar was bestemd". Niet de auto maar de toeter is echter voor haar bestemd! Dus: ze hoorde de toeter van een auto...
"verbaasd de mensen moesten wezen" -> ik zou hier gewoon "zijn" gebruiken
"naar beneden donderen" -> storten (ik vind donderen iets te vulgair voor dit verhaal in deze context.
ik vraag me af waarom het lichter wordt als ze de trap afdaalt in het kasteel
"dan eet ik mijn hoed op" vind ik een beetj flauw
"de zon stond hoog" - maar hij had eerder nog recht door het raam van de toren naar binnen geschenen. Maw: let op de tijd want later gaat de zon opnieuw lage staan (deel 3)
"Helaas was dat een foute gok" - die zin mag van mij eruit.
"Jia begreep er geen donder van" -> gebruik synoniem.
"verlangzaamde" = vertraagde
"toen zijn ogen die van haar ontmoeten" -> ontmoetten
over leeuwen: "zo'n verbinding met ze hebben" -> zo'n band
waarom vond ze de reiks zo'n vervelend mannetje? -> wat meer emotie
"in plaats van de torenkamer" = in plaats van naar de torenkamer (ze keer er naar)
Voor de rest: een hele prestatie!
tuurtje - 24-11-2006 19:20
Vergat ik: misschien zou je je hiermee primair op de groep 10-16 jarigen moeten richten. Heeft Harry Potter JK Rowling niet tot rijkste vrouw van de UK gemaakt?
|
tuurtje - 24-11-2006 19:20
|
DawRei - 26-11-2006 17:48
Het is ook bedoeld als jeugdboek he 
|
|
ex-lid
28-12-2006 17:55
|
Shit, het is wel lang, dat is mijn eerste gedachte als ik hoofdstuk 1 open, maar belofte maakt schuld.
Bij de titel denk ik even aan LOTR
Maar de eerste alinea bevalt me goed (al weet ik niet goed wat ik me voor moet stellen bij de kleur van de koperen zon). Drie keer "er was eens" werkt prima, een stevig intro.
Verder lezend vind ik je schrijfstijl erg verzorgd. Alleen aan het veelvuldig gebruik van komma's voor het woordje "en" moet ik wel wennen. Er is oog voor detail en daarmee een goed tempo voor een langer verhaal. Wat je ook goed doet is een consequent vertelstandpunt, je vertelt het verhaal door haar zintuigen, vervalt voorzover ik kan zien niet hier en daar stiekem in alwetendheid.
Het verhaal van de underdog die in een andere wereld en gelouterd door avonturen haar of zijn ware innerlijke kracht ontdekt, is natuurlijk al veel vaker verteld. Best moeilijk om daar iets origineels aan toe te voegen. Datzelfde geldt voor het voorwerp dat haar lotsbestemming aankondigt, de toegang tot de andere wereld en de weerstand van de uitverkorene tegen dat lot. Maar goed, dat zijn de wetten van het genre, een soort oerverhaal dat steeds opnieuw verteld wil worden.
Leuk dat ze Nathaniel om te beginnen een eikel vindt. De vreemde taal vind ik mooi verwerkt. Je laat haar langzaamaan steeds meer begrijpen.
Yep, ik geef eerlijk toe: ook al kan ik het een en ander misschien wel voorspellen, toch ben ik best wel benieuwd hoe het verder gaat...
Graag gelezen dus
Ingmar
DawRei - 28-12-2006 18:12
Hohoho, aan lot en uitverkorenen doen wij hier niet  Verder enorm bedankt 
|
DawRei - 28-12-2006 18:13
Dat van dat oerverhaal vind ik trouwens een mooie opmerking 
|
|
Gehaktbrood
03-01-2007 02:53
|
Hoi!
Allereerst een foutje die ik opmerkte:
in DEEL II staat in de 5e alinea ongeveer (heb ze niet geteld, ben lui) dat de 2e A voor een D kan doorgaan. Dat moet, volgens mij, de derde A zijn... gra8lanAerá --> graslanDerá, tenslotte.
Verder:
ik vind het mooi geschreven. Je weet me te boeien, en aangezien ik nooit langer dan een paar minuten mij kan concentreren en dit verhaal toch redelijk snel heb gelezen, zegt dat best wel wat 
Ik ga kijken of ik alle ontelbaar vele delen door kan komen, maar tot nu toe vinnik het erg spannend! Het is echt jouw soort verhaal; ik bedoel qua onderwerp, en ook wel qua uitwerking denk ik. Een meisje die in een vreemde wereld terecht komt, en in het echte leven onzeker is, gepest wordt, bang is, wegrent en spijbelt. Volgens mij heb ik een beetje van die smaak eerder geproefd in een verhaal van je (wat het niet minder maakt).
Ik lees normaal liever andermans reacties niet voor ik de mijne schrijf maar dit staat in mijn beeld. Ja, ik geef ook toe, ik kan wel een beetje inschatten waar het heen gaat. Maaaaaar, dat betekent des te meer dat je mij (en anderen natuurlijk) nog kunt verassen. Toch, alleen een broodfladderige idioot zou het nu in zijn hoofd halen in de volgende delen die hele andere wereld niet meer op te voeren 
Sterk geschreven, en ik heb echt diep respect voor de weinige fouten die jij maakt - zeker als ik weet hoeveel ik er in een gedicht of songtekst al maak! (of journalistiek artikel, for that matter)
Ik kan het niet laten mijn bovenbuur te herhalen:
Graag gelezen dus
Gehaktbrood - 03-01-2007 02:55
Oh ja, voor ik het vergeet: die tekening, zeker diegene in kleur, is echt práchtig!
|
Gehaktbrood - 03-01-2007 02:57
(vooral die lichtinval, en de preciesie waarmee je haar hebt getekend)
|
Gehaktbrood - 03-01-2007 02:58
zie nu dat de versie zonder kleur nog veel preciezer is eigenlijk, tof 
|
DawRei - 03-01-2007 11:30
Aah, dank je wel! De tekening in kleur is door Sidsel (een vriendin) ingekleurd, niet door mij. Wat dat betreft dus alle credit naar haar  De schets is uiteraard wel van mijn hand 
|
Gehaktbrood - 03-01-2007 14:27
Aha, nou mij leek de kleuren versie op het eerste gezicht mooier, maar toen ik beter keek zag ik veel meer details en preciezie in de zwart-wit-schets.. 
|
|
Burbick
08-05-2007 20:38
|
Oke, ik ben weer begonnen, dus geen PB's meer sturen, he?
DawRei - 08-05-2007 20:40
Hee, dat is gemeen!  Ik stuur je lekker wél PB's 
|
Burbick - 08-05-2007 21:09
|
|
Shekinah
18-06-2008 19:19
|
Al zo vaak erop geklikt en nu eindelijk ook echt gelezen. Dit (deze delen?) deel dan. Ik vind het erg leuk! Je neemt lekker de tijd om Jia naar die andere wereld te gaan en ik vind het leuk dat je haar er niet direct laat blijven. Ik vind dat wat realistischer, want hoe leuk en spannend het ook allemaal is, het is en blijft een overweldiging en je verlangt in zo'n situatie toch echt naar huis, denk ik. En als je eenmaal thuis bent, dan komt meestal de spijt pas dat je niet bent gebleven. Dus ik vind dat je dat goed gedaan hebt.
Verder vind ik dat taaltje dat ze spreken ook erg leuk gedaan. Niet totaal onbegrijpelijk en daardoor dus ook niet zo ver van onze eigen taal vandaan, waardoor het geloofwaardiger wordt (en, denk ik, voor jou als schrijfster ook beter hanteerbaar). Goed gedaan dus.
Ik kwam nog wat foutjes tegen, maar ik las het gister en weet ze dus nu niet meer, ga ze ook niet opzoeken if you don't mind. Het enige dat ik je wel mee wil geven, is dat je op moet passen wat voor woorden je samenvoegt. Zo las ik bv. ergens: wendde haar hoofd om. Het is of omkijken/omdraaien of afwenden, maar niet omwenden. Dat soort dingen doe je wel vaker
O ja: je titel is natuurlijk geweldig!!!
DawRei - 18-06-2008 20:07
Thanks Shek!  Jia is inmiddels ook al weer eh..gedateerd, dus echt veel aan sleutelen zal ik niet meer doen. Alle foutjes opsporen hoeft dus ook niet. Ik laat het gewoon lekker staan voor wat het is en als je wilt, vind ik het leuk als je het ook als
|
DawRei - 18-06-2008 20:07
zodanig leest ^^
|
Shekinah - 19-06-2008 10:49
Ik dacht wel dat je dat niet meer zou doen (zou ik ook niet doen) dus zal het ook zodanig lezen, maar dat wat ik wel nog noemde, daarvan dacht ik: daar kan ze dan in haar verdere schrijven nog op letten 
|
|
mothermary
23-10-2008 23:23
|
Zoals beloofd, ben ik er aan begonnen 
Ik moet zeggen dat dit begin me goed bevalt, dus ga ik door naar het volgende deel
DawRei - 24-10-2008 13:35
Ooo, je gaat Jia lezen! Veel plezier (en succes) 
|
|
Ekster
23-12-2008 14:54
|
Ik ben hier via via gekomen en ik vind je verhalen altijd leuk, dus ik ga dit verhaal ook lezen. Totnutoe vind ik het een goed deel.
Jia doet me wel wat denken aan een van mijn personages ;D Die is ook zo eigenwijs en heeft een eigen wil.
DawRei - 23-12-2008 15:46
Dat zijn de meeste personages, anders onderscheiden ze zich niet als hoofdpersoon  Dank je wel! 
|
Ekster - 24-12-2008 00:40
 Niet alle personages hoor. Ik heb ook niet eigenwijze hoofdpersonages 
|
|
Ellahir
03-08-2010 01:57
|
Ik heb dit deel graag gelezen. Het is een plezierig leesbaar verhaal en ik ga zeker de volgende delen ook tot me nemen. Bedankt voor het schrijven
DawRei - 03-08-2010 10:54
Het is al een ouder verhaal. Toch bedankt! 
|
|
|
| Tot onze grote spijt is anoniem reageren niet meer mogelijk (te veel spam en te veel misbruik). |
| Dit werk is ingezonden op http://www.verhalensite.com en blijft te allen tijde eigendom van de feitelijke auteur van het werk (of de verhalensite zolang de auteur niet kan teruggevonden worden). Zonder toestemming van de feitelijke auteur mag dit werk niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen. De verhalensite zal nooit toestemming geven indien de auteur niet teruggevonden kan worden. Mocht er sprake zijn van misbruik van de inhoud van het gepubliceerde werk op welke manier ook zullen er (in samenspraak met de auteur) stappen ondernomen worden. |
|
|